DE DUITSE OORSPRONG VAN DE PHARMA MACHT
Deze blog is overgenomen uit Gezond Verstand nr 146 – 2026.
De wortels van Big Pharma reiken tot in het Zwitserland en Duitsland van de negentiende eeuw. Daar ontstond de farmaceutische industrie in de laboratoria van de verfindustrie. De
origine van de farmaceutische bedrijfstak ligt dus nog verder terug in de geschiedenis dan de Verenigde Statenvan de vroege twintigste eeuw.
De grote Duitse en Zwitserse bedrijven Ciba, Geigy,
HoffmannLa Roche, Bayer, Agfa, Hoechst, BASF en Boehringer hadden met elkaar gemeen dat ze aanvankelijk geen geneesmiddelen produceerden, maar verf. Deze ondernemingen vestigden zich langs de Rijn en de andere grote waterwegen. De rivieren voorzagen de industrie van de grondstoffen voor de grootschalige productie van kleurstoffen, zoals zoet water, zuren, alkaliën, zouten,
pyriet en brandstoffen.Het Zwitserse Geigy was al actief in de achttiende eeuw, maar de echte take-off van deze bedrijven begon in de tweede helft van de negentiende eeuw. De onderzoeksafdelingen van de bedrijven realiseerden zich dat ze met hun scheikundige processen niet alleen kleurstoffen konden produceren, maar ook andere stoffen– inclusief medische producten. Dit besef resulteerde gelijktijdig in de chemische industrie en de farmaceutische industrie.
Tot de opkomst van de farmaceutische industrie waren de meeste geneesmiddelen van natuurlijke en vooral plantaardige origine. Die situatie veranderde snel. De eerste farmaceutische bedrijven zagen geneesmiddelen in de eerste plaats als een al bestaande markt die ze wilden veroveren – en slaagden daarin met overweldigend succes. Dat succes was overigens vooral zakelijk. De gezondheid van de gebruikers van de nieuwe synthetische geneesmiddelen ging er niet altijd op vooruit.De Teerfarbenfabrik Meister, Lucius & Co – dat in het buitenland opereerde als Hoechst AC – lanceerde bijvoor beeld in 1883 het koortswerende antipyrine. Tot die tijd gebruikten artsen vooral het natuurlijke kinine als ze koorts wilden onderdrukken. Hoechst had tevergeefs gezocht naar een manier om kinine te synthetiseren. Die zoektocht had wel geresulteerd in antipyrine, en door
een gelukkig toeval bleek dat antipyrine ook in staat was koorts te verlagen. Hoechst zette antipyrine op de markt als een ‘beter’ alternatief voor natuurlijke koortswerende middelen als kinine.
Wat Hoechst deed met kinine, deed Bayer met salicine. Artsen gebruikten al eeuwenlang salicine, een bestanddeel van wilgenbast, tegen pijn en koorts, maar dat veranderde nadat Bayer in 1899 acetylsalicylzuur onder de merknaam Aspirine in de markt zette. Aspirine verdrong in korte tijd de extracten uit wilgenbast. De makers van aspirine verspreidden in 1934 het verhaal dat de Bayer-chemicus Felix Hoffmann aspirine zou hebben ontwikkeld omdat hij zijn vader, die reumapatiënt was, een effectieve pijnstiller wilde geven. Dat was een verzinsel, constateerde de historicus en farmacoloog Walter Sneader in de British Medical Journal. Volgens de logboeken van het laboratorium van Bayer was aspirine niet het geesteskind van Hoffmann, maar van zijn superieur Arthur Eichengrün. De naam van Eichengrün was in 1934, toen de nationaalsocialisten in Duitsland aan de macht kwamen, uit de archieven van Bayer verdwenen. Eichengrün was Joods.
Bayer zelf bestond toen ook al niet meer als zelfstandig bedrijf. Bayer was, samen met onder meer BASF, Hoechst en Agfa in 1925 opgegaan in IG Farben. De gedachte achter die fusie was dat door samen te werken en niet meer te concurreren, de bedrijven beter in staat waren de wereldmarkt te veroveren. Eén van de voorvechters van het IG Farbenproject was Bayer-directeur Carl Duisberg. Duisberg reisde in 1896 en 1904 naar de Verenigde Staten, waar hij onder de indruk kwam van de macht van John D. Rockefellers Standard Oil. Rockefeller had in 1882 veertig oliemaatschappijen gebundeld in Standard Oil en kon daardoor negentig procent van de Amerikaanse olieraffinage controleren.
Vanaf 1904 pleitte Duisberg voor eenzelfde constructie om de Duitse producenten van verf, medicijnen en andere chemicaliën te bundelen. Na de eerste wereldoorlog landde die boodschap. Voor die oorlog produceerden Duitse bedrijven bijna negentig procent van alle verf op de wereldmarkt. Na de oorlog was dat gehalveerd, onder meer omdat Duitse bedrijven patenten en buitenlandse
vestigingen hadden moeten afstaan aan Amerikaanse en Britse bedrijven. Een andere factor was dat na de eerste wereldoorlog de Amerikaanse farmaceutische industrie de uiterst effectieve Duitse marketingmethoden massaal overnam.
IG Farben produceerde niet alleen grondstoffen voor synthetisch rubber, benzine en explosieven, maar bemoeide zich ook met politiek. Het bedrijf
was afhankelijk van het naziregime omdat het regime de afname van de producten van IG Farben kon garanderen. Op zijn beurt was IG Farben waarschijnlijk de grootste
nazisponsor binnen de Duitse industrie. Tijdens de tweede wereldoorlog speelde IG Farben een centrale rol in de Duitse vernietigingskampen. IG Farben
bouwde bijvoorbeeld een rubberfabriek bij het concentratiekamp Auschwitz, waar de SS gevangenen dwangarbeid liet verrichten. Tussen 1941 en 1944 hebben ongeveer 35.000 gevangenen in de fabrieken van IG Farben gewerkt. De overweldigende meerderheid van hen overleefde dat niet. IG Farben gebruikte hun arbeidskracht tot ze door uitputting, mishandeling en ziekte niet meer
konden – en liet ze daarna afvoeren naar het concentratiekamp in Auschwitz, waar ze omkwamen.
Ook daarin speelde IG Farben een rol. Het conglomeraat leverde, via de door IG Farben aangestuurde Deutsche Gesellschaft für Schädlingsbekämpfung (Degesch), het gifgas Zyklon B. De nieuwe machthebbers ontbonden IG Farben na de overwinning op het naziregime. Slechts twee dozijn kopstukken van het conglomeraat moesten in 1947-1948 in Neurenberg verschijnen voor een Amerikaanse militaire rechtbank. Die sprak tien van hen vrij, en veroordeelde de overige bestuurders tot milde gevangenisstraffen. Otto Ambros, de directeur van de rubberfabriek bij Auschwitz, kreeg de zwaarste straf. De rechtbank veroordeeldehem tot acht jaar gevangenis. Alle veroordeelden kregen
chter gratie. In 1951 waren alle bestuurders, inclusief Auschwitzdirecteur Otto Ambros, weer op vrije voeten.
Otto Ambros ging na zijn vrijlating werken als wetenschappelijk adviseur bij de in 1946 opgerichte farmaceut Grünenthal. Eén van zijn projecten had betrekking op de stof thalidomide. Volgens Martin Johnson, de voormalige directeur van de Britse Thalidomide Trust, blijkt uit de archieven van Grünenthal dat Ambros al tijdens de tweede wereldoorlog thalidomide bestudeerde
als een mogelijk tegengif tegen zenuwgassen. In de jaren vijftig zette Grünenthal thalidomide echter met een uitgebreide reclamecampagne in de markt als een slaapmiddel, pijnstiller en middel tegen misselijkheid bij zwangerschap. In Nederland kwam thalidomide op de markt als Softenon.
Al snel kwamen ernstige bijwerkingen aan het licht. Kinderen van moeders die thalidomide hadden gebruikt kwamen op de wereld met missende ledematen en hartafwijkingen. Aanklagers moesten processen tegen Grünenthal in de late jaren zestig stopzetten, onder meer omdat het bedrijf de bewijzen van de schadelijkheid in diskrediet bracht. In de Verenigde Staten maakte thalidomide geen slachtoffers. Dat was te danken aan de farmacoloog Frances Oldham Kelsey. Kelsey, die in 1960 als medicijnbeoordelaar was gaan werken bij de Food and Drug Administration (FDA), vertrouwde Grünenthals onderzoeksgegevens over het gebruik van thalidomide tijdens de zwangerschap niet. Ondanks de druk die Grünenthal op de FDA en haarzelf uitoefende, hield ze de goedkeuring van thalidomide tegen. Het thalidomideschandaal was onder de schandalen rond de farmaceutische industrie het meest
invloedrijke.
Door de beelden van de door thalidomide getroffen kinderen moesten artsen, wetenschappers en beleidsmakers de ware aard van de farmaceutische industrie onder ogen zien. De manier waarop Kelsey Amerika had weten te behoeden voor thalidomide inspireerde de ontwikkeling van een systeem waarbij onafhankelijke onderzoekers studies van de farmaceutische industrie
kritisch beoordeelden. Op basis daarvan besloten overheden of een medicijn op de markt kon komen. De bekende fase-1, fase-2, fase-3 en fase-4 trials zijn een cruciaal onderdeel van dat systeem.
Na het thalidomideschandaal heeft dat systeem enkele decennia redelijk gefunctioneerd, totdat de farmaceutische industrie erin slaagde het te manipuleren. Inmiddels heeft de farmaceutische industrie zijn pionnen weten te plaatsen te midden van de autoriteiten die de onderzoeken moeten beoordelen, en ook in de medische faculteiten en medische beroepsorganisaties.
Het gevolg daarvan zien we in de analyse van een onafhankelijke medische wetenschapper als Peter Gøtzsche, die in zijn boek Deadly Medicines and Organised Crime uitrekent dat medicijnen een van de grootste doodsoorzaken zijn geworden. Het aantal sterfgevallen dat wordt veroorzaakt door de farmaceutische industrie is van eenzelfde orde van grootte als kanker of hart- en vaatziekten.
Deadly Medicines and Organised Crime verscheen in 2013. Zeven jaar later begon de coronacrisis en lieten wereldwijd tussen de vijf en zes miljard mensen zich inspuiten met een preparaat dat geen serieus onderzoek had ondergaan. (Dit artikel is gebaseerd op de eerste hoofdstukken van het recent verschenen boek De farmaceutische industrie: verlosser, weldoener of bedrijfscrimineel van Dick Bijl). Ik beperk me tot dit deel van Bijls boek omdat het bij uitstek inzicht geeft in de blauwdruk van de industrie
De schadelijkheid van chemotherapie en het negeren van genezende middelen
In de bestrijding van kanker vinden momenteel stormachtige ontwikkelingen plaats. Naast de gebruikelijke vormen van therapie, zoals bestraling, chirurgie, hormoon- of chemotherapie, neemt het aantal publicaties toe over serieuze alternatieven. Ivermectine, vitamine C, medicinale paddenstoelen, ja zelfs paardenbloemextract zijn alternatieven die naar een serieuze plek in het oncologisch arsenaal dingen. Dat is niet eenvoudig; de farmaceutische industrie heeft geen interesse, omdat er weinig aan te verdienen valt. De reguliere geneeskunde trekt er de neus voor op en ziet de alternatieven vooral als kwakzalverij. Daardoor mist de patiënt de kans op behandeling met een serieus alternatief. Wanneer reguliere behandelingen overigens kritisch tegen het licht worden gehouden is het maar de vraag of ze echt zo goed zijn dat ze de toets der kritiek kunnen doorstaan.
Een bedenkelijk voorbeeld is chemotherapie, een vaak toegepaste behandeling tegen kanker. Chemotherapeutica zijn erop gericht om tumoren te vernietigen. Dat lukt echter niet voor de volle 100%. Klinische studies tonen aan dat ‘slapende’ tumorcellen in het lichaam niet allemaal door chemotherapie kunnen worden verwijderd. Soms leidt dit tot terugkeer van tumoren. Daarnaast veroorzaakt chemotherapie ook ernstige bijwerkingen. Maar daar blijft het niet bij. Een studie in Cancer Cell onthulde dat chemotherapeutica als Doxorubicine en Cisplatine niet volledig gedode ‘slapende’ kankercellen kunnen reactiveren, met uitzaaiingen tot gevolg. Op die manier raakt de patiënt met zijn behandeling van de regen in de drup. Behandelingen tegen kanker beogen genezend, levensverlengend, of bij de palliatieve zorg tenminste pijn-reducerend te zijn. Chemotherapie staat bekend als een veel gebruikte agressieve vorm van behandelen. Om chemotherapie te willen, is het logisch dat er effect van verwacht mag worden. Chemotherapie maakt die verwachting niet waar.
Hoogleraar oncologie Casper van Eijck stelt dat de hele zware chemotherapie maar voor 20 tot 30 procent van de mensen werkt. En dat betekent dat 70 tot 80 procent alleen maar doodziek wordt, zonder het gewenste effect. Een andere studie in Cancer Cell onthult ook nog dat chemotherapie slapende kankercellen kan reactiveren, met uitzaaiingen tot gevolg, met name in de longen. Chemotherapie geeft dus niet alleen ernstige bijwerkingen, het blijkt zelf ook kankerverwekkend te zijn. Deze constatering laat zien dat het eindelijk tijd is om kankerbehandelingen te onderzoeken die niet het hele lichaam schaden en slapende kankercellen niet opnieuw tot leven kunnen wekken. De aanzetten zijn er, want er worden steeds meer middelen in beeld gebracht die wat bestrijding
van kanker betreft veelbelovend zijn. En toch gebeurt er op dit terrein nauwelijks iets aan serieus klinisch onderzoek. Dat komt omdat iedere serieuze poging stuit
op weerstand bij de farmaceutische industrie. Deze sector waakt tegen middelen die effectief en goedkoop zijn en dus een grote bedreiging vormen voor hun gigantische inkomstenstromen.
Een voorbeeld is Ivermectine. De zojuist gepubliceerde studie Een overzicht van het gebruik van Ivermectine bij kankerpatiënten: Is het tijd om de Ivermectine te hergebruiken in kankerbehandelingen? omvat een systematisch review om te bezien of Ivermectine kan worden gebruikt als antikankermiddel. Op basis van deze review lijkt het veilig te zijn en worden positieve resultaten gemeld, zelfs bij mensen die actieve chemotherapie ondergaan. Dit gegeven ondersteunt de kandidatuur van Ivermectine voor een grootschalig klinisch onderzoek. Maar dat komt er niet. De medische gemeenschap, die – zoals de ervaring heeft geleerd – zonder inbreng van de macht van de farmaceutische industrie geen eigen beslissingen neemt, blijft verdeeld over de kwestie. Sommige experts blijven sceptisch, terwijl anderen Ivermectine zien als een veelbelovend geneesmiddel in de oncologie.
Naast Ivermectine kennen we Fenbendazol, een medicijn dat wordt gebruikt als antiparasiticum voor dieren. Verschillende recente onderzoeken hebben laten doorschemeren dat Fenbendazol tumor-bestrijdende eigenschappen heeft. Het medicijn is inmiddels met succes gebruikt voor de behandeling van verschillende vormen van kanker, waaronder alvleesklier-, prostaat-,
long-, darm- en colorectale kanker, melanoom, lymfoom en glioblastoom. Wanneer het samen met bepaalde vitaminesupplementen wordt ingenomen, vertoont Fenbendazol zelfs krachtige anti-tumoreigenschappen. Het werkt ook goed als aanvullende therapie bij chemotherapie en bestraling.
Desondanks worden er geen verdere stappen ondernomen om te onderzoeken hoe Fenbendazol in de klinische praktijk zou kunnen worden toegepast. Immers, het octrooi is verlopen en er kan geen winst mee worden behaald. Een andere veelbelovende maar vaak over het hoofd geziene benadering in de westerse geneeskunde is het gebruik van paddenstoelen tegen
kanker. Die belofte wordt ondersteund door biologische mechanismen en epidemiologisch c.q. opkomend klinisch bewijs.
Ba et al. voerden een systematische review en meta-analyse uit van studies die de relatie tussen paddenstoelenconsumptie en kankerrisico onderzochten, en vonden een
significant omgekeerd verband en algemene vermindering van kankerrisico tot wel 34%. De sterkste associatie
werd gevonden voor borstkanker, met een 35% lager risico in de groep met de hoogste paddenstoelenconsumptie.
Waar niemand echt serieus aan schijnt te denken is dat paardenbloemextract ook kanker kan vernietigen terwijl gezonde cellen volledig ongemoeid worden gelaten. Zo zijn inmiddels tientallen
peer-reviewed studies gepubliceerd die vergelijkbare resultaten lieten zien bij melanoom, dikkedarm-, alvleesklier-, prostaat- en borstkanker. Het extract werkt via meerdere mechanismen tegelijk,
waardoor van een massale aanval op tumorcellen kan worden gesproken. Daarom is het voor kankercellen bijzonder moeilijk om er weerstand tegen op te bouwen. Vergelijk dat met chemotherapie, die doorgaans maar één enkel type aanval pleegt, waardoor de effectiviteit beperkt blijft en resistentie wordt uitgelokt (weerstand van
kankercellen tegen het chemotherapeuticum).
Toch staat een grootschalig klinische studie bij mensen nog altijd niet op de agenda. Een extract zonder patent, van een plant die in iedere tuin groeit, levert de farmaceutische industrie natuurlijk ook niets op. Een paardenbloem kan niet worden gepatenteerd. Dus is grootschalig onderzoek financieel onaantrekkelijk voor de partijen die normaal gesproken de kar trekken. Intussen blijven
patiënten met uitbehandelde kanker in het duister tasten over de vraag hoe verder, zonder toegang te kunnen krijgen tot een behandeling die bij onderzoek al jaren indruk maakt. Medisch oncoloog Prasanth Reddy stelt dat dit soort nog weinig onderzochte alternatieven eerder in het behandeltraject moeten worden overwogen, en niet pas als een patiënt al alles heeft geprobeerd. Dat is precies wat het systeem verhindert: zolang er geen dure, gepatenteerde studie achter staat, wordt een veelbelovende behandeling structureel buitenspel gezet.
Dat geldt ook voor behandeling van kanker met vitamine C. Dit werd aanvankelijk weggezet als niet werkzaam. Dat concludeerde de Mayo Clinic in de jaren tachtig in twee grote studies. De reguliere geneeskunde nam die conclusie gretig over, en vitamine C werd weggezet als kwakzalverij. Wat aan dit onderzoek niet klopte, was dat de Mayo Clinic-studies uitsluitend gebruikmaakten van orale toediening. Studies van Cameron en Pauling zagen positieve effecten door de combinatie van intraveneuze én orale toediening. Onderzoekers identificeerden inmiddels minstens vier verschillende lijnen waarlangs vitamine C kanker kan aanpakken. Volgens epidemioloog Nicolas Hulscher onderbouwen meer dan honderd studies deze werkingsmechanismen. Onderzoekers verbonden aan de McGill University benadrukken dat positieve gevallen tot nu toe geen definitief bewijs vormen dat vitamine C genezing veroorzaakt. Maar ze verhogen de klinische en biologische geloofwaardigheid van de behandeling aanzienlijk. Zij pleiten expliciet voor verder onderzoek.
Ivermectine, Fenbendazol, paardenbloemextract en vitamine C zijn niet de enige alternatieven die worden gebruikt naast – of in plaats van – conventionele kankertherapie. Er bestaat een snelgroeiend arsenaal aan ernstig onderschatte kankergenezende stoffen, waaronder voedingssupplementen, vitamine D, kurkuma, groene thee-extracten, of kruidenextracten zoals gember, Artemisia, Essiacthee, cannabis/CBD of mistletoe. Het is allemaal aan Big Pharma en de reguliere geneeskunde niet besteed. Organisaties die hierin iets zouden kunnen betekenen,
of over fondsen kunnen beschikken, zoals KWF Kankerbestrijding, vinden dat het gebruik van alternatief werkende geneesmiddelen grote gezondheidsrisico’s met zich mee kunnen brengen en de kans verkleint op terugdringen van de ziekte of langdurige ziektevrije overleving. Hetgeen voorbijgaat aan bijvoorbeeld de beperkte werkzaamheid, de zeer schadelijke bijwerkingen en het inmiddels ontdekte kankerverwekkende effect van chemotherapie. En dat maakt medicijnen als deze minstens zo dubieus als het geringschattende oordeel over de alternatieve therapieën.
Patiënten met gevorderde kanker, die geen chemotherapie willen of er niet meer op reageren, hebben recht op voldoende bewijs om te kunnen worden behandeld met effectieve en veilige middelen buiten de reguliere om. Helaas is het voor hen wachten op studies die niemand wil financieren
KORT MEDISCH NIEUWS
Paxlovid doet niets tegen ‘Long Covid’ In een op 31 augustus 2026 gepubliceerde studie (The Lancet, Infectious Diseases) werd het antivirale middel Paxlovid getest voor de behandeling van Long Covid. Het resultaat: het middel biedt geen enkel statistisch significant voordeel. De leidende gedachte achter dit onderzoek was dat Long Covid wordt veroorzaakt door aanhoudende vermenigvuldigingen van het Covid-virus. Men hield echter geen rekening met het feit dat de meerderheid van de onderzochte groepleed aan door ‘vaccins’ gecodeerde spike-eiwit-symptomen,
die met een antiviraal middel nooit verholpen kunnen worden. Niet persistent aanwezige virussen maar het ‘vaccin’-spike-eiwit is de oorzaak van Long Covid en postvaccinatiesymptomen. Paxlovid doet daar dus niets aan. Onderzoek langdurige gezondheidsproblemen na Covid-19-‘vaccinatie’ Een nieuwe studie van CDC-gegevens van ruim tien miljoen Covid-‘gevaccineerde’ mensen identificeerde 185.285 gevallen waarin de gezondheid drie maanden of langer na de Covid-19-‘vaccinatie’ was verslechterd. Binnen die groep meldde ongeveer de helft minstens één
ernstige gezondheidsstoornis te hebben opgelopen. De auteurs schatten dat dit overeenkomt met ongeveer 1% van alle bij de CDC geregistreerde mensen. Geëxtrapoleerd op nationaal niveau impliceert dit aantal dat enkele miljoenen mensen lijden aan chronische Covid-19- ‘vaccin’schade. Schade die zich voordoet onder de dekmantel van ‘Long Covid’.
McCullough-protocol helpt tegen spike-eiwit-klachten ‘Long Covid’ reageert goed op het ‘McCullough-protocol’. Dat bestaat uit toediening van Nattokinase, Bromelaïne en Curcumine. Deze combinatie blijkt spike-eiwitten af te breken, te voorkomen dat het zich hecht aan de celwanden, kleine stolsels op te lossen en ontstekingen te remmen. Vanwege het feit dat het in wezen om ‘vaccinatie’-schade gaat, grijpt het protocol rechtstreeks in op het werkingsmechanisme achter Long Covid-klachten. Long Covid kan lang aanhouden, ernstige beperkingen veroorzaken
en zelfs tot euthanasieverzoeken leiden. Dat komt omdat het lichaam langer dan ons is voorgehouden spike-eiwitten produceert. Omdat erkenning van deze achtergrond van Long Covid
grotendeels achterwege blijft, zullen nog heel veel patiënten van een effectieve behandeling verstoken blijven, immers: het kan ‘natuurlijk’ niet aan de Covid-injecties liggen.
Canadese regering schenkt aandacht aan slachtoffers van Covid-‘vaccinatie’-schade Canadese parlementsleden hebben een vier dagen durend onderzoek uitgevoerd naar de schade door Covid-injecties. Daarin zijn vijftig Canadezen verhoord die schade hebben geleden door de injecties. Meer dan 1.400 Canadezen met vaccinatie-schade hebben zich aangemeld. Niet iedereen kon gehoord worden, maar alle meldingen zijn wel in openbare dossiers opgenomen. Een Canadese moeder die schade opliep door het Covid-19- ‘vaccin’ pleegde uit wanhoop zelfmoord. Zij is niet de
enige; in de zomer van 2021 steeg het zelfmoordcijfer onder leden van React19, een non-profitorganisatie ter ondersteuning van Covid-19-‘vaccin’slachtoffers, nadat Facebook hun online steungroepen blokkeerde.
mRNA-ellende
Ze leren het maar niet met dat mRNA: een BioNTechonderzoek naar een mRNA-kankervaccin werd stopgezet vanwege alarmerende sterftecijfers. Het betrof een studie van 327 patiënten met chirurgisch verwijderde kanker van de dikke darm en het rectum. De onafhankelijke Data Safety Monitoring Board (DSMB) constateerde dat er sprake was van alarmerend hoge sterftecijfers in de
mRNA-groep, leidend tot een onacceptabele onbalans tussen alle subgroepen. Deze studie onthult opnieuw een ernstig falen van de mRNA-technologie. Het is tijd om daar radicaal een einde aan te maken en onschuldige burgers te beschermen tegen vermijdbare dood en invaliditeit.
Bert Timmermans